Mijn vorige blog sloot ik af met een vraag van S., de
jongste deelneemster van de training ‘Rookvrij! Ook jij?’. Ze is 25,
verpleegkundige in de schilderswijk en om de drommel niet dom of naïef. Maar door
de formulering van haar vraag is het duidelijk dat ze het fenomeen ‘Tweede
Wereldoorlog’ verwart met de ‘Koude Oorlog’. Onvoorstelbaar? Ja, enerzijds natuurlijk wel,
maar ik deed achteraf wat rekenwerk. S. is al even moeder en het is voor te
stellen dat haar ouders er ook vroeg bij waren. Laten we zeggen dat ze beiden 23
waren toen S. werd geboren. Dat betekent dat haar ouders van bouwjaar 1968 zijn.
Laten we de reeks aanhouden en verder terugrekenen naar opa en oma. Dan komen
we uit op 1945. Die hebben dus de Tweede Wereldoorlog (hierna WOII) ook niet meegemaakt, dan moet je
nog verder terug naar de overgrootouders in die reeks. Rechtstreekse
overlevering van WOII-ervaringen door volwassenen heeft S. dus waarschijnlijk nooit
meegekregen. Er zitten gewoon twee generaties tussen! WOII is voor haar net zoiets
als WOI voor mijn generatie. Daar weten veel mensen ook opmerkelijk weinig van.
Het is gewoon te lang geleden. Onze jeugd
groeit steeds vaker op zonder iemand in hun omgeving die WOII aan den lijve
heeft meegemaakt. Ik ben bang dat veel jongeren steeds minder weten van ‘de
oorlog’ en dat is toch eigenlijk niet de bedoeling, want we zouden dit toch
allemaal niet meer laten gebeuren? ‘Leer
van het verleden, leef in het heden, bereid je voor op de toekomst’. Toch? Nou,
we staan er bij en kijken er naar. Het voltrekt zich onder onze ogen in Syrië,
maar ook in Afrika, Yemen, noem maar op. Deze keer voltrekt de volkerenmoord zich niet op een
gecalculeerde, mathematische manier maar barbaars en middeleeuws. In Syrië met name. Ik begrijp al jaren en jaren niet waarom de internationale gemeenschap nooit heeft ingegrepen in Syrië. Het is werkelijk een f…… schande wat daar gebeurt. Werkelijk onvoorstelbaar. Ik heb mijzelf ooit opgelegd mij hier politiek in te houden. Maar dit moet ik delen:

Maar goed, dit is niet de boodschap van mijn verhaal. Nee, dit verhaal dient om mijn persoonlijke gedachten en indirecte ‘ervaringen’ met betrekking tot WOII te delen en in context te plaatsen. Vorige week diende zich een gelegenheid aan, een aanleiding eigenlijk, om mijn verhaal op te schrijven. Welke aanleiding dat was leest u aan het einde. Het wordt wel een beetje hink-stap-sprong door de tijd en ook nog eens heen en weer.

Onze ouders hebben WOII allemaal meegemaakt en veel van ons kennen hun verhalen
van ’40-45’. Ik heb het idee dat, ook bij mijn generatie, het beeld van
WOII sleets aan het worden is. De herinnering verdwijnt langzaam uit het collectieve
bewustzijn en nog even dan zijn er geen levende getuigen meer. Maar ik fris het collectieve brein nog even op! Het zal een hele verhandeling worden en misschien is het erg veel voor een ‘blogje’, maar ja, dat is nu eenmaal mijn platform.

Mijn ouders waren van 1923 en 1925. Ze zijn redelijk
soepel door de oorlog heen gehobbeld. Hun woonplaats, Gouda, was een klein
stadje en de polder was dichtbij. Brood, kaas, boter, melk, het was allemaal doorgaans
redelijk te krijgen. In de Hongerwinter ging het echter ook in Gouda goed mis.
Hoe mijn vaders familie zich er doorheen heeft geslagen weet ik niet, maar ze
hebben het overleefd. Mijn opa van mijn moeders kant had vanwege zijn werk contacten
met boeren op het platteland. Hij wist altijd nog wel links en rechts wat te ritselen. ‘Zo kwam Splinter door de winter’ zou je kunnen zeggen. Als jonge (bijna-) volwassenen maakte WOII natuurlijk een
onvoorstelbare indruk op mijn ouders. Na de bevrijding kwam de stroom van informatie geleidelijk op gang en begrepen
ze wat voor bizarre en afschuwelijke taferelen zich hadden voltrokken. De
wereld had in brand gestaan. Meer dan 72 miljoen doden waren gevallen, waarvan
11 miljoen op een systematische en werktuigelijke manier. Een werkelijk
krankzinnige en onvoorstelbare gebeurtenis in de wereldgeschiedenis. WOII werd
er bij ons thuis met de paplepel ingegoten. Niet overdreven, maar het kwam regelmatig ter sprake. Het waren vaak spannende verhalen
over bombardementen, onderduiken, ‘foute’ families, ‘moffenhoeren’ de NSB en ga
zo maar door. Mijn ouders hadden geen last van kamptrauma’s en vertelden dus regelmatig over ‘de oorlog’. Ik herinner mij dat ik regelmatig vroeg of ze nog
eens een ‘spannend verhaal’ uit die tijd wilden vertellen. Toen we, mijn zus en ik, wat ouder werden vertelde mijn vader ook wat meer over de achtergronden en aanleiding. Je zou eigenlijk verwachten
dat ze een bloedhekel aan Duitsers hadden, maar dat was niet het geval. Althans,
nooit wat van gemerkt. Ik ga er maar even van uit dat ik niet opeens een
lidmaatschap van de Jeugdstorm ergens tegen kom. Maar dat is misschien een wat
misplaatst grapje.

De Nationale Jeugdstorm was een Nederlandse jongerenbeweging
in de oorlogsjaren, georganiseerd volgens het model van de Duitse Hitlerjugend,
mocht u het niet weten. Voor de rest van dit blog ga ik er van uit dat mijn
lezers wel wat basiskennis hebben van WOII. Nationaal Socialisme, Duitsland,
Hitler, Anschluss, Kristallnacht, invasie Polen, Asmogendheden, NSB, Eichmann, Jodenvernietiging,
concentratiekampen, Auschwitz, geallieerden, Churchill, Pearl Harbor, Japan, D-Day,
H-Bom Hiroshima en Marshall plan. Als er in deze opsomming iets onbekends staat
adviseer ik u wat huiswerk te doen.

Ook op school heb ik volgens mij nooit zeer uitgesproken
Duitserhaat meegekregen. De meesten van onze onderwijzers en leraren hadden die
oorlog toch echt meegemaakt. Onze hoofdonderwijzer had het wel altijd over
‘moffen’. Hij was beslist geen vriend van onze oosterburen. Joden die het
allemaal hadden overleefd keken natuurlijk héél anders naar de Duitsers. Maar de gemiddelde Nederlander? Het viel allemaal wel mee. De eerste
vakanties over de grens gingen niet zelden naar Duitsland. Monschau,
Düsseldorf, een reisje langs de Rijn, Rijn, Rijn. Opmerkelijk toch?

Ik denk dat met name mijn vader stiekem wel onder de indruk
was van de onvoorstelbare oorlogsmachinerie die de Duitsers in luttele jaren
uit de grond hadden gestampt. Hij was een techneut in hart- en nieren en als je
zag wat die Germanen allemaal uitvonden en produceerden, daar was geen
voorstelling van te maken. Ze vlogen op 8 kilometer hoogte met 400 kilometer
per uur in Heinkels He 111 bommenwerpers over de Nederlandse ‘verdediging’ die
beneden op de fiets reed. Het is een gechargeerd beeld, maar in de kern wel
waar.

In de jaren zestig en zeventig kwam mijn vader regelmatig in Hamburg op
de Duitse vestiging van zijn werkgever, Mobil Oil. Hij leerde daar een collega kennen, Georg. Hij kwam regelmatig over de vloer bij Georg en zijn vrouw,
Inge. Ongelofelijk aardige en zeer beschaafde mensen. Georg is ook een aantal keren bij ons op bezoek
geweest en ook een paar keer met zijn vrouw. Ik weet het nog als de dag van
gisteren.

Als familietje zijn we ook bij hen op bezoek geweest in Hamburg. Met mijn vader ben ik toen ooit samen
naar de Reeperbahn geweest. Dat is de rosse buurt van Hamburg, mocht u niet
thuis zijn in het métier. Hij vond dat ik dat ook eens moest zien. Dat maakte
indruk, dat kan ik u verzekeren, ik was dacht ik, zeventien jaar oud…

(Het vrouwenverbod is wel opmerkelijk voor een rosse buurt, of zie ik dat verkeerd?)

Na het overlijden van mijn vader zijn we, mijn zus, mijn
moeder en ik, nog een keer in Hamburg te gast geweest. Mijn zus reed en dat
vond ze best wel spannend. Ze had haar rijbewijs ook nog niet zo lang en dat
was dus een enerverende onderneming. Maar het ging allemaal uitstekend. Aardige mensen
en we werden volgestopt met ‘Kuchen’. Dat vergeet ik niet meer. We gingen aan
een prachtig gedekte tafel zitten die vol stond met koffieservies en taart! We
gingen aan tafel om taart te eten,
geweldig! Ze woonden in een vrijstaand mooi huis aan de rand van Hamburg in een
lommerrijke buurt en ‘Der Georg’ reed een Mercedes Benz 200 die hij de ‘Arbeiter Mercedes’ noemde. Arbeiter? Een Nederlandse arbeider was in die jaren al een hele man als hij met de Solex naar zijn werk kon. Waar kwam die welvaart vandaan? Zo relatief kort na WOII? Met name
Hamburg had het te verduren gehad. In 1943 werd de stad door de Britten tijdens
Operatie Gomorra volledig plat gebombardeerd met tapijten van brisant- en
brandbommen. De vuurstormen die ontstonden kennen zijn weerga in de historie
niet.
Daar zaten we dan, ruim 30 jaar later, op bezoek in een prachtig huis aan
de rand van een mooi herbouwde stad met een glimmende Mercedes voor de deur.
Alsof er nooit een WOII had bestaan.

(Hoe vindt u trouwens de auto hierboven? Uit de
officiële brochure van 1972. Een citroengele Mercedes! Dat is nu ondenkbaar. Ze zouden je
opsluiten.)

Amerikanen waren onze bevrijders. Daar was geen discussie over mogelijk met mijn vader. Commies waren de vijand, zover
was dat wel duidelijk. Hij was zo rechts als de neten. Dan bedoel ik nadrukkelijk
zijn politieke opvattingen en niet zijn levenswijze want hij keek beslist niet
neer op de arbeidersklasse, in tegendeel! Mijn moeder was nooit zo uitgesproken
over politiek. Ze was beslist een geëmancipeerde vrouw, die haar ‘mannetje’ stond
en niet bang om haar mening te geven. Maar politiek was gewoon niet zo haar
ding, zoals we tegenwoordig zeggen. Dat de Yankees (en andere geallieerden) de
bevrijders waren was natuurlijk ook echt zo, maar die bevrijding kwam niet
alleen vanuit humanitaire hoek waaien. Nee, dat lag even anders. Als Duitsland
geen stand zo houden tegen de Russen, het Rode Leger, dan waren de rapen pas
echt gaar. Europa zou onder de voet worden gelopen door de Russen en communistisch
worden. Dat was iets wat Amerika ten alle tijden wilde voorkomen. Bovendien zou
ook de levering- van olie- en gas uit het Midden-Oosten in gevaar kunnen komen en
men voorzag al dat die hard nodig waren voor de tweede helft van de twintigste
eeuw en daarna.

Na de invasie duurde het nog tot de waterstofbommen op Japan
werden gedropt voordat WOII officieel eindige op 2 september 1945. Duitsland was al
verslagen en Japan capituleerde op 15 augustus. Op de USS Missouri, een Amerikaans slagschip, werd op 2 september 1945 de overgave officieel ondertekend. Namens de geallieerden werd de overgave ondertekend door generaal Douglas MacArthur en voor de Japanners door de minister van Buitenlandse Zaken Mamoru Shigemitsu. Wie kent hem niet?

Stalin trok zich min of meer terug achter zijn nog te bouwen
IJzeren Gordijn. Europa likte zijn wonden en de Verenigde Staten pompten tussen
1948 en 1952 12,5 miljard dollar in de Europese Economie, de zogenaamde ‘Marshall’ hulp, genoemd naar de toenmalige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken. In de huidige tijd is
dat vergelijkbaar met 150 miljard dollar Euro. Serieus geld, maar de huidige
begroting van Nederland bedraagt ongeveer 250 miljard. Dan is 150 miljard om
een heel werelddeel weer in de steigers te zetten een schijntje. Als ik
publicaties van economen mag geloven waren de grootste herstelklappers voor Europa:
1. De invoering van de Duitse Mark. 2. De oorlog in Korea waar Duitsland
hoofdleverancier van werd. 3. Het opheffen van geallieerde sancties op de
Duitse industrie. Duidelijke zaak: Duitsland werd de motor van het herstel van zichzelf, maar ook van haar buurlanden. Binnen 20 jaar was de Duitse
economie één van de sterkste ter wereld! Ongelofelijk, terwijl ze ook nog herstelbetalingen moest doen! Men noemde dit het ‘Wirtschaftswunder’. Maar
dat ‘wunder’ legde Nederland ook geen windeieren. Wij vonden de, toen,
grootste gasvoorraad ter wereld in Groningen. Die exploitatie en het nieuwe enorme
Duitse afzetgebied betekende dat Nederland zich snel tot één van de rijkste landen
ter wereld mocht rekenen. De lonen stegen per jaar met enorme percentages en we
rekenden ons rijk. In de tweede helft van de jaren zeventig is Nederland een sociaal luilekkerland waar het
geld blijkbaar niet op kan. Joop den Uyl is de held. Het geld voor uitkeringen en pensioenen ligt tot aan de hemel op getast. De Duitse economie is inmiddels gegroeid tot de vierde van de wereld.

Vette boezemvrienden dus, zou je zo zeggen, die Nederlanders en die Duitsers. Nou,
dat viel tegen. J. en ik komen nog steeds vaak en graag in Duitsland. Ik ben
altijd gek geweest van auto’s en Duitsland is natuurlijk het mekka. Een stevige
rit op de Autobahn (als er geen ‘Baustellen’
zijn), is nog steeds iets waar ik dol op ben. Al die vette Audi’s,
BMW’s, Mercedessen en Porsches, ik vind het gewoon gaaf. Daarnaast vinden wij het
een erg aantrekkelijk land om op vakantie te gaan. Landschappelijk variatie
genoeg, fantastisch mooie steden en dorpen, een onvoorstelbare boeiende historie, culturele
rijkdom, correcte en doorgaans vriendelijke mensen, kwalitatief uitstekend eten
én goedkoop. Maar, met name mijn generatie heeft mij (ons) niet zelden fronsend
aangekeken als ik het over Duitsland had. Luidruchtig volk, arrogant, saai
land, enzovoort. Wat moet je daar nou? Daar ging je dus gewoon niet naar toe. Daar reed je alleen maar doorheen. Hard. Wat daar nou precies achter stak?
Misschien toch nog steeds die oorlog, misschien een beetje het voetbal, misschien weel heel erg om het voetbal of afgunst om al die vette auto’s…

Humor heeft, denk ik, zijn oorsprong in de Angelsaksische
cultuur. De Britten zijn uiteraard de wereldleiders in humor en zelfspot. Maar
Amerikanen, Aussies, Vlamingen en Nederlanders scoren ook hoog. Nederlanders (in
het westen…) begrijpen de absurdistische humor van de Britten en we zijn
het enige niet-Engels sprekende land waar ‘Little Britain’ wordt uitgezonden. Duitsers
zouden er echt helemaal niets, maar dan ook echt niets, van begrijpen.
https://youtube.com/watch?v=GwwJw849HWc

Ik denk dat daar misschien de crux zit: wij vinden de Duitsers veel te serieus, te saai te formeel. Wat ze van ons vinden? Ik geloof dat ze ons wel ‘nett’ vinden, maar veel te gemakkelijk en ongedisciplineerd. Wat dat betreft is het alsof we op twee verschillende planeten leven. Maar ik neem de mensen graag zoals ze zijn, dan heb je het stukken makkelijker in het leven. Dat lukt natuurlijk niet altijd, maar met de Duitsers heb ik meestal geen enkele moeite. Bovendien beheers ik de taal zeer behoorlijk en dat maakt het leven daar natuurlijk even wat makkelijker en aangenamer. Maar, het is waar. ‘A German joke is not a laughing matter’.

Al snel nadat ik mijn vrouw leerde kennen begreep ik dat
haar vader, Ben, een ‘oorlogsverleden’ had. Maar dan als kind in Delft. ‘Oop’,
zoals we hem noemen was, net als zijn vrouw, opgegroeid in Delft. Hij is in
1932 geboren en was bijna 8 jaar toen WOII uitbrak. De oorlogsjaren maakte een
onuitwisbare indruk op hem. De grotere steden in het westen van het land hadden zwaar te
lijden van de oorlog. In de hongerwinter werden bomen omgezaagd, trambielzen
geroofd en leegstaande huizen gestript van al het hout. Het was allemaal nodig om
te stoken en de winter te overleven. De verhalen van bloembollen eten en
dergelijke kennen we allemaal (toch?), maar je zal het maar hebben meegemaakt. In
‘Oorlogskind’, een heel leuk en interessant boekje door Ben in eigen beheer
uitgegeven, verhaalt hij van zijn oorlogsjaren in een groot gezin als zoon van
een mandenmaker. Met name de ‘Slag om Den Haag’ (o.a. bij vliegveld Ypenburg), waar het boekje mee
begint, verschafte mij nieuwe informatie. Ik had er wel eens vaag van gehoord, maar dat dit
zo grootschalig was en dat wij ‘wonnen’ is bij mij nooit doorgekomen. Een
hoogtepunt van het boekje, of dieptepunt, net hoe je het bekijkt, is ‘De
Hongertocht’ van maart 1945. Bennie is dan nog maar twaalf jaar. Ben beschrijft
hier zijn voettocht van meer dan 360 kilometer met de één jaar oudere buurjongen
Wil. Veel mensen uit het westen ondernamen in de winter van 40/45 deze
hongertochten. Ze gingen meestal te voet naar andere delen van het land in de hoop geld of spullen te kunnen ruilen voor eten. In Delft was het eten zeer schaars geworden en daar moest wat aan gebeuren. Met een karretje trokken de kereltjes naar Vorden in de
Achterhoek en ruilden daar lakens voor tarwe en roggebrood. Na negen dagen
waren de jongens weer terug. Ze verwachtten als helden te worden binnengehaald,
maar ze kwamen van een koude kermis thuis. De etenswaar werd natuurlijk met
enthousiasme ontvangen, maar er was geen aandacht voor hun avonturen. Het
bevreemdt Ben tot op de dag van vandaag. De ‘Hongertocht’ is echt een spannend
verhaal waar de V-1’s om je oren vliegen. Het verhaal is een begrip in de
familie en heeft inmiddels de proporties van een heldenepos aangenomen. Daar
heeft Ben wel voor gezorgd, haha. Terecht overigens!

De meeste Nederlanders die ik ken zijn wel eens in Margraten geweest in Zuid-Limburg. De Amerikaanse militaire WOII begraafplaats. Het hoorde vroeger bij de opvoeding. Wij gingen er met schoolreisje naar toe en iedereen van mijn generatie is wel een keer geweest. ‘Leer van het verleden, leef in het heden, bereid je voor op de toekomst’. Het maakte op mij als kind een enorme indruk en dat was ook de bedoeling neem ik aan.De meeste mensen van mijn generatie weten natuurlijk ook van D-Day en dat de invasie in Normandië plaats vond. Ik ben er twee keer geweest. De eerste keer was met vriend K. in 1986. We zouden ergens in de bergen gaan wandelen, maar de reactor van de centrale van Tsjernobyl was kort daarvoor ontploft. Vanwege fall-out werd geadviseerd niet in Oostelijke richting te reizen. Dan maar naar het westen. Het was een fantastische wandelvakantie langs de Normandische krijtrotsen én de invasiekusten: Utah, Omaha, Juno, Gold & Sword. Uiteraard bezochten we ook Arromanches met het oorlogsmuseum en het ‘Normandy American Cemetery and Memorial’ bij Colleville-sur-Mer. De begraafplaats ligt op een schitterende plek aan de kust. Om een en ander in perspectief te plaatsen: Margraten kent 8302 graven en Colleville 9387 stuks. Bizarre cijfers. Opmerkelijk was de enorme drukte in Colleville; het is eigenlijk gewoon een toeristische attractie. In april 2009 ben ik nog een keer geweest en het was ‘packed’ met toeristen. We waren daar met vrienden en al onze zoons tijdens één van de legendarische en enigszins destructieve ‘Mannenvakanties’. Op een avond hebben we al die gasten in hun kraag gepakt en voor de TV gezet en ‘Saving Private Ryan’ laten kijken. Het was drie uur lang muisstil. De volgende dag bezochten we de invasiekust. Het zal Stijn altijd bij blijven en dat doet mij nog steeds deugd. Het was onze operatie ‘Overlord’, maar dan in de hoofden van onze zoons.

Toen we terug waren uit Normandië, ik heb het weer over 1986, zag ik kaartjes van de fall-out van Tsjernobyl waar ik niet van opknapte. Bovenop het westen van Frankrijk. Als ik er nu op ‘Google’ valt het wel mee, zie het kaartje hieronder. Ik denk en hoop dat dit betrouwbaarder is dan het krantenbericht van destijds. Het onderstaande kaartje geeft de fall-out weer van Cesium-137, de meest instabiele radioactieve isotoop die bij kernsplitsing vrijkomt. Halveringstijd van 30.000 jaar. Dat u het maar weet. In Finland en Stockholm zat je goed fout.

Terug naar mijn schoonvader. In 1952 kwam Ben ‘onder de wapenen’. Een deel van zijn
dienstplicht vervulde hij bij de ‘Afdeling Gravendienst van het ministerie van
Oorlog’. Nederland lag bezaaid met lijken van vele nationaliteiten en Ben werd
toegevoegd aan het onderdeel wat verantwoordelijk was voor identificatie en het
begraven van gesneuvelde Duitse soldaten. Een verzamelkerkhof voor Duitse
gesneuvelden was daartoe aangelegd op de Grebbeberg en bij Ysselsteyn in het
noorden van Limburg. Zo’n ervaring vergeet je natuurlijk nooit meer en
‘Oop’ vertelde er regelmatig over.
Bij Ben thuis, de mandenmakersfamilie,
heerste een losse en liberale sfeer. Ben’s vader was een arme mandenmaker met
weinig geld en middelen, maar sprak diverse talen en bespeelde meerdere
instrumenten. Hij had zich dat allemaal zelf aangeleerd. In deze tijd was het
zeker iemand geweest die zich op academisch niveau had ontwikkeld. In Delft, in
hun huis aan het Vrouwenrecht, was het een informele boel en een komen van gaan
van vogels van allerlei pluimage. Buren, vrienden, familie, maar ook
muzikanten, schilders, joodse mensen en, in de oorlog, zelfs Duitse gasten. Er
was ruimte voor ieders visie en als iemand okay was, dan was hij welkom, ook
Duitsers. Met die instelling is J. ook opgegroeid en zij had en heeft ook nooit
bedenkingen gehad over een vakantietje in Duitsland. In tegendeel, zoals hiervoor al aangehaald.

Dat liberale en vrije denken was voor Ben dus
vanzelfsprekend. Hij had dan ook geen moeite om zijn werk te doen in de Gravendienst.
Het was toch ‘de vijand’ waarmee hij aan de slag moest. De vijand die
verantwoordelijk was voor al die verschrikkelijke ellende. Ben begreep dondersgoed
dat het voor het overgrote deel jonge jongens waren die zonder pardon de oorlog
waren ingejaagd, sommigen maar 17 jaar oud! Hij deed het werk met interesse en
respect en haalde er de nodige voldoening uit.

De Gravendienst bestaat nog steeds. Het valt onder het
Ministerie van Defensie en heet sinds 1 mei 1955 ‘Afdeling Sociale Zaken Sectie
Gravendienst’. Tot op de dag van vandaag worden er gesneuvelden uit WOII in
Nederland gevonden, onvoorstelbaar toch? Dit is een actueel filmpje over de
huidige Gravendienst:

Ik had, voordat ik J. leerde kennen, nooit van die
Gravendienst gehoord. Ben adviseerde me regelmatig dat we eens een keer naar ‘zijn’ militaire begraafplaats in Ysselsteyn moesten gaan. IJsselstein? Nee met een ‘Y’,
bij Venray. Ik zou dat zeker eens doen. Ben bezocht regelmatig militaire
begraafplaatsen. Ook samen met zijn zwager Paul, J’s oom. Paul was getrouwd,
hij is helaas overleden, met een Italiaanse vrouw, de eigenaresse van de
beroemde Italiaanse ijszaak ‘Florencia’ in Den Haag. Haar geboortehuis in
Quero, aan de voet van de Dolomieten is nog steeds in hun bezit. J. en ik zijn
er vaak geweest. Geweldig was dat altijd. Behalve ‘Ysselsteyn’ drongen Ben en
Paul ook met regelmaat aan dat we de militaire begraafplaats in Quero ook eens moesten
bezoeken. Ysselsteyn en Quero. Ze stonden op het lijstje. We zouden er zeker
eens een keer langs wippen…

Het is mei 1997 en J. en ik vieren een vroege en extra lange
zomervakantie. J. is twee maanden zwanger en nu kunnen we het er nog van nemen.
Het wordt een geweldige vakantie door Duitsland, Zwitserland, Italië en
Oostenrijk. Een kleine Odyssee. Onze eerste verblijf is de Bodensee. Een aanrader
van de eerste orde, vorig jaar nog een dagje geweest. Daarna via Zwitserland naar
Quero voor een paar weken en, ‘to top it off’, reizen we ook nog een paar dagen
af naar Steiermark in Oostenrijk, tegen de Sloveense grens. Dat is een
schitterend en onbekend wijngebied. Mijn ex-collega en vriend M. trouwt daar
met zijn Zwitserse ‘lief’ en we zijn uitgenodigd. Het wordt een gigantisch en
bourgondisch feest wat een fortuin zou gaan kosten. Een jaar
later zit M., gescheiden, ‘drie hoog achter’ in Amersfoort. Wat sneu, wat een
drama en wat zonde van het geld!

Maar voordat we naar het huwelijksfeest afreizen bezoeken we
eindelijk de Militaire Begraafplaats, het moest er nu maar eens van komen. Ik
verwachtte een strak gemaaid groen veld met witte kruizen daar op de
berghelling, hoog boven de rivier de Piave. Het blijkt een zeer indrukwekkend
Mausoleum te zijn, wat al in 1939 is gebouwd en het huisvest 3465 gevallen soldaten
uit de WOI. Geen kruis te bekennen en het heeft dus niets met de Tweede
Wereldoorlog te maken. Dat had ik mij niet gerealiseerd. Het Mausoleum is een
architectonisch kunststukje en ligt op een prachtige en unieke plek. We blijven
er een tijdje en zien wederom geen enkele andere bezoeker. We zijn, toch wel onverwacht,
zeer onder de indruk. Ben en Paul hadden gelijk. In 2011 bezoeken we
‘Ehrenstätte Quero’ nog een keer met Stijn. Voor zijn opvoeding. Ook deze keer
zijn we de enigen.

Op 1 september 1997, een dag voor onze eerste ‘trouwverjaardag’, vertrekken we voor
een korte vakantie naar Brabant. J. is zes maanden zwanger van Stijn. Het kan
nog net, maar we houden het wel een beetje rustig. We bezoeken De Peel, het
kasteel van Heeswijk-Dinther én de Militaire Begraafplaats in Ysselsteyn.
Eindelijk. Ben had het natuurlijk al zo vaak verteld, maar eigenlijk dringt het
nu pas echt door dat we een begraafplaats gaan bezoeken waar gesneuvelde Duitse soldaten liggen. Ik parkeer de
auto. Er staat nog een auto met Duits kenteken, maar de parkeerplaats is verder
leeg. Het is er stil, net als in Quero. Hier geen Mausoleum, maar een ingang
via een pad door een stukje bos. Dan ontvouwt zich het zicht op een werkelijk gigantische
begraafplaats. Het beneemt ons de adem en we zijn er een tijdje doodstil van.
Er liggen hier meer dan 31.700 gesneuvelde Duitse soldaten uit WOII. Dat is ongeveer
vier keer zo veel als Margraten en Colleville! Wederom, ondanks de gigantische
afmetingen, is er geen mens te bekennen. Juist die stilte maakt het nog
adembenemender, intimiderend bijna. Wat een zinloosheid. Tot op de dag van
vandaag vertel ik af en toe over deze begraafplaats. Ik ben nog niet één keer
iemand tegen gekomen die het kent.

De ‘Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge’ is een
humanitaire Duitse organisatie die in opdracht van de Duitse regering de taak heeft
om de graven van Duitse oorlogsslachtoffers in het buitenland te beheren. Het
heeft tevens als doelstelling internationale samenwerking te bewerkstelligen op
het gebied van oorlogsgraven en jongeren aan te moedigen deze te bezoeken. De Volksbund heeft op dit moment 832
begraafplaatsen in 45 landen met ongeveer 2,7 miljoen oorlogsdoden in beheer!
Op elke begraafplaats ligt informatie en brochures voor bezoekers. Ik heb er
uiteraard ook een paar:

Ik heb deze maand vrij en Ben vroeg of we samen een keer
naar Ysselsteyn konden. Het was voor hem tientallen jaren geleden en het was
zijn droom om er weer eens heen te gaan. Ik vond dat ook ontzettend leuk.
Quality time met ‘Oop’ en de gelegenheid het verhaal nu eens helemaal goed te
horen. Op zijn studeerkamer hangt al vele jaren een zwart bordje met de tekst
‘Ein Deutscher Soldat’. Daaronder nog zo’n bordje met ‘Werner Kuhr’ 27-10-19 *
13-8-1941’. Werner is een soldaat die Ben bij de Gravendienst in 1952 ter aarde
heeft besteld. De bordjes heeft hij destijds als aandenken achterover gedrukt. Onder de bordjes hangt een foto van de begraafplaats in Ysselsteyn. Ben ziet ons
bezoek als een soort bedevaart. Naar zijn verleden en naar Werner. Het is
overigens, nu ik dit schrijf, 13 augustus. Het is Werner’s 75e
overlijdensdag. Toeval, u weet hoe ik hierover denk.

Je hebt gewone regen, stortregen, zeikregen, pisregen, plensregen,
enzovoort. Het is vandaag 2 augustus 2016 en als ik met Oop wegrijd in mijn
Ford Focus ‘nevelregent’ het. Vreselijk. Een niet aflatende super irritante
nevel van water. In de auto wordt het zicht zwaar belemmert omdat de nevel
miljoenen kleine druppels op de ruiten achterlaat. Je wordt van nevelregen ook echt
onwaarschijnlijk nat. Maar we zijn gewapend met meerdere paraplu’s, dus dat
gaat wel goed komen. Het navigatiesysteem kiest na verloop van tijd een route
die binnendoor gaat. Is dit ook Nederland? Bossen, akkers en af en toe een
boerderij en een dorpje. Er is geen zon en de nevelregen hult alles in een
overstelpende waas van druipend groen. De wegen zijn nagenoeg verlaten en de
route vormt een prachtig decor naar ons doel. Na bijna twee uur zijn we in Ysselsteyn
waar we eerst een bakkie met een ‘punt’ doen. We zitten net een paar honderd
meter over de grens van Brabant in Limburg, dus ik bestel een vlaai. Daarna rijden
we naar het ‘Deutsche Soldatenfriedhof’. Op het parkeerterrein staat, weer, één auto. Met een Duits kenteken. Het nevelt nog steeds, maar gelukkig iets minder. We
kuieren langzaam door de groene toegangslaan naar de begraafplaats. Vlak voor
het grote veld met de tienduizenden kruizen staat een huisje, het informatiecentrum.
We gaan naar binnen. Op een tafel liggen een paar grote zwarte boeken met
daarin op alfabetische volgorde de namen van de gevallen soldaten. Maar ‘Werner
Kuhr’ staat er niet in! Oop kan het niet geloven en is zeer teleurgesteld, maar ik
zie het niet zo somber in. Aan de overkant van het toegangspad staat nog zo’n
huisje en ik zie achter de vitrage wat beweging. Ik loop naar het huisje en tik
op de ramen. Er zit een man te lunchen die het onderhoud van het terrein doet.
Hij vindt het niet erg dat we hem storen. Hij kan Werner ook niet vinden in de
boeken en duikt een kantoortje in. Daar staan oude kaartenbakken en na even zoeken vindt
hij een kaartje, met, toevallig (..) een afwijkende kleur, van Werner. Hij moet
daar gewoon op het terrein liggen. Ben heeft de gegevens van de locatie bij
zich: BW-12-95. ‘Dat komt wel goed’ denk ik bij mijzelf. We maken nog een
praatje. De man onderhoudt samen met drie collega’s het terrein. Hij is in dienst
bij de ‘Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge’. Het zware maaiwerk wordt door
het Duitse leger gedaan. Het onderhoud is veel werk, maar stress zal je niet
krijgen. Wederom is er he-le-maal niemand en de stilte is overweldigend. De
regen valt nu zacht en samen met het dichte wolkendek wordt ieder geluid
gemaskeerd. Bizar stil gewoon. We zetten koers richting blok BW. Het is best een
stukje lopen, maar eenmaal aangekomen is de opluchting groot: het kruis van
Werner Kuhr staat er gewoon! Het ziet er anders uit dan vroeger want een aantal
jaren terug zijn alle kruizen vervangen. Ben heeft een pot met een bloemetje bij zich
en een kaart met tekst. Ben zet zijn pot neer en hangt de geschreven kaart in
plastic aan het kruis. Ik maak wat foto’s van het kruis met Ben en laat hem dan
een kwartiertje met zijn gedachten alleen. Ik vind het aandoenlijk en het doet
mij ook echt wat. Tijd. Het is een raar fenomeen.

(Een paar dagen na ons bezoek krijgt Ben een brief van het hoofd van het educatieve centrum van de begraafplaats in Ysselsteyn. Ze heeft het
bloemetje en de kaart gevonden. Ze vraagt of ze tijdens toekomstige
rondleidingen de kaart die Ben heeft achtergelaten aan het kruis van Werner mag
voorlezen. Zo zorgt Ben’s bedevaart dat er ten minste één soldaat niet helemaal
voor niets is gestorven.)

Na het kwartiertje lopen we nog een rondje en spreken af tijdens
een mooie herfstdag terug te komen. Dan kan Oop lekker op een bankje zitten en een
tijdje mijmeren. Vandaag is alles drijfnat en we kunnen alleen maar lopen of
staan. Maar Ben is desondanks super happy. Voor hem is de cirkel rond. We
scharrelen weer naar de auto. Het is weer harder gaan regenen en we zijn dankbaar
voor onze paraplu’s. In de uitspanning waar we ons bakkie hadden gedaan,
trakteert Ben op broodjes kroket, onze lunch.

In 1953 gaat het onderdeel van Ben ook een dagje kijken bij
de begraafplaats in Lommel in België, bij wijze van ‘informatief uitje’. Ben
wil vandaag daar ook graag naar toe. Het is een uur rijden van Ysselsteyn, een stuk
verder dan ik dacht. Maakt niet uit, we hebben de tijd. Lommel ligt net over de
Belgische grens en is ook een Duitse Militaire Begraafplaats. Niet te
geloven, maar het is nog groter dan Ysselsteyn en de grootste van West-Europa
buiten Duitsland. Er liggen hier 38.560 soldaten waaronder nog enkele uit WOI. In 1953 was het
nog een grote woestenij, nu is het helemaal gecultiveerd en de omgeving is
groen en parkachtig. Je moet naar binnen door een bouwwerk wat qua architectuur
op dat van Quero lijkt. Enigszins bombastisch. Beetje Albert Speer in het klein. Achter dat bouwwerk kom je bij
het gigantische terrein met de tienduizenden kruizen. Het nevelen is inmiddels
overgegaan in een stevige zomerregen wat wel een rustgevend geluid maakt op het
gras. Oop luidt nog even de bel die tegen de buitenmuur van het mausoleum is
gemonteerd. Net als jaren geleden toen hij hier met zwager Paul was. Paul was ‘not amused’ en werd toen kwaad op Ben. “Dat kan toch niet man, dat kan je toch niet maken?”.
Haha, Ben wel hoor. We lopen een stuk tussen de kruizen door en gaan dan terug.
Het regent gewoon te hard.
In (!) de ingangspoort is een soort café gevestigd.
Er staat een manshoog model van een Cornetto buiten en we besluiten een kop
koffie te gaan drinken. Binnen heerst er een Vlaamse gezelligheid van belang.
Het is behoorlijk vol en de met ouderwetse kleedjes gedekte tafeltjes zijn
voornamelijke bezet door ouderen. We vallen niet uit de toon… De mannen zitten
zonder uitzondering met grote flessen Stella Artois voor hun neus en er wordt
ook volop gegeten. Uit de keuken komen grote dampende borden voorbij met
pannenkoeken, aardappelen, salades, worsten, vlees, fritten, het is er allemaal.
Het is een rare uitspanning. We zitten tenslotte nog steeds op een
begraafplaats! België, het blijft een raar oord. Onze koffie is niet te zuipen. Bruin water. Oop rekent snel af
en we besluiten huiswaarts te keren.

De rit naar huis verloopt stroef. Vanwege de onophoudelijke
regenval zijn er uiteraard vrachtwagens omgevallen (waarom vallen die altijd om als het regent?) en hebben er diverse aanrijdingen plaatsgevonden. Met name rond Eindhoven
is het een puinhoop en onze totale vertraging is meer dan een uur. Ik drop Ben
thuis af en spoed me dan naar de training ‘Rook Vrij, Ook Jij’ in het
ziekenhuis. Het is de laatste en afsluitende sessie en ik ben twintig minuten
te laat. Het is niet erg. We praten nog wat na, krijgen een certificaat en
maken nog een groepsfoto. Dat was het dan.

Tijdens het naar huis gaan komt mijn verlate binnenkomst nog
even aan de orde. “Kwam je van je werk?” vraagt er iemand. Ik vertel over mijn
dagje uit met mijn schoonvader. De jongste deelneemster kijkt mij even aan en zegt
op vragende toon: “Duitse Militaire begraafplaats?” “Gesneuvelde Duitse
soldaten tijdens de Tweede Wereldoorlog” leg ik uit. “O, je bedoelt dat van
Oost- en West Duitsland, dat met die muur?”