Sinds 5 juli dit jaar rook ik niet meer. Van onze trainster moeten we zeggen: “Ik rook niet” en dat ‘meer’ moet we
weglaten. Zelfhypnose zal ik het maar noemen. ‘We’? ‘Trainster’? Ja, ik heb
mij in februari dit jaar bij de huisarts gemeld omdat ik wilde stoppen met roken.
Het moest maar eens afgelopen zijn. Ik werd toen verwezen naar de groepstraining ‘Rookvrij,
ook jij
’ in het ziekenhuis. Op 4 juni begon ik daar samen met een aantal lotgenoten een groepstraining met als doel te stoppen met roken. We werden begeleid door een zeer gedreven en
gerenommeerde trainster. Zelf is zij een ex-roker en werkzaam als verpleegkundig
specialist chronische zorg van longpatiënten. Dan weet je wel waar je het over hebt.

Ik ben op een wat afwijkende manier tot roken gekomen. In mijn
tienerjaren rookte echt het merendeel van de jongens. Het waren de seventies en we
droegen allemaal een mooi spijkerpak, reden een Puch of Tomos en in het
linkerborstzakje van ons spijkerjack stak een baaltje Van Nelle shag. ‘We’, dat is dan
met uitzondering van ondergetekende. Een spijkerbroek had ik dan wel, maar een brommer vond ik maar niets en, bovendien, ik rookte niet!

Geen haar op mijn hoofd die er aan dacht om te gaan
roken. Mijn vader’s vroegtijdige dood in 1974, hij werd slechts 51, had, behalve erfelijkheid,
beslist ook met roken te maken. Een pakje Lexington per dag (later Lex25) hielp daar beslist ook niet bij. Ik was trouwens als klein jongetje zijn ‘runner’. Elke zaterdag en misschien wel
vaker, haalde ik twee pakjes Lexington voor hem. Eerst huppelde ik een stukje door onze mooie laan, dan rechtsaf de hoek
om waar halverwege de volgende straat de kapper was gevestigd in een woonhuis. Het was zo’n ouderwets zaakje waar mannen met kwast en zeep werden geschoren en de messen werden geslepen aan
een leren riem. Jongetjes kwamen in hun drollenvanger lekker fris de zaak uit
met model bloempot, haha. Voor mijn dienst kreeg ik dan een centje die ik dan linea recta ging uitgeven aan snoep bij de buurtkruidenier. Mijn vader maakte met dat roken geen vrienden door
gewoon in de auto te roken als we op vakantie waren. Zonder airco en bij een verzengende hitte was dat natuurlijk uiterst hinderlijk en schadelijk voor de tere kinderlongetjes. Maar daar lag men toen allemaal nog niet van wakker. Na een eerste ziekenhuisopname voor hartproblemen moest hij stoppen met roken. Dat lukte niet en dan stond hij ‘s avonds stiekem achterin de tuin te paffen. Zielig vond ik het eigenlijk en ik realiseerde mij toen al dat stoppen met roken een taaie bezigheid is.

Dat we in de jaren zestig en zeventig niet wisten dat
roken slecht voor ons was, is een regelrechte verdraaiing van de werkelijkheid. Een
aperte leugen. Bij herhaling werd ons op de lagere- en middelbare school
voorgehouden dat roken slecht was. Ik herinner mij meerdere keren dat verpleegkundigen werden uitgenodigd om ons te overtuigen over de kwalijke gevolgen van tabaksgebruik. We werden dan vergast op dia’s met de meest afgrijselijk plaatjes van opengesneden rokerslongen. In de serie ‘Mad Men’, wat speelt in het begin van de jaren
zestig, komt het ongezonde aspect van roken ook uitgebreid aan de orde. Maar
het kwartje viel blijkbaar niet erg. Sterker, in de jaren zestig en zeventig stonden er tijdens verjaardagen bekertjes
op tafel met sigaretten naast de Duyvis pinda’s en kaas domino’s. Gastvrijheid ‘all over the place’. Mijn moeder rookte zelfs mee.
Het was geen potje.

Maar de jaren zeventig en begin jaren tachtig, gingen, wat betreft roken en alcohol, toch niet geheel aan mij voorbij. We zaten in de nadagen van love &
peace en in een transitie naar het egoïstische ik-tijdperk. We, de Nederlanders,
werden rijker en er was steeds meer geld voor vertier en we kregen ook meer
vrije tijd. Heel veel vrije tijd. Mijnheer Den Uyl was Sinterklaas tenslotte en als we een
pijntje hadden of eigenlijk niet zo veel zin in werk, konden we voor goed geld
tot Sint Juttemis in de ziektewet of WW. In zo’n cultuur deden we in onze
vriendenkring maar wat, totaal zonder focus. Uitzendbaantjes, vakanties, veel
niks doen en, natuurlijk, feesten! Drank en jointjes hoorden daar gewoon bij.
Ik was, uitzonderingen daargelaten, redelijk matig, maar gezond wil ik die
periode niet noemen. Ik was beslist geen ‘blower’, maar een jointje rookte ik af en toe wel mee. Ik zag dat niet als ‘roken’ en vond het bovendien erg lekker. Het mocht, mijn gebruik, allemaal geen
naam hebben en in die tijd waren de werkzame stoffen niet zo sterk als nu.

Voor degenen onder u die geen kennis van de materie hebben zal ik proberen kort samen te vatten wat dat blowen behelst. Blowen is het roken van een shaggie, een ‘joint’, gevuld met tabak en wat hasj of weed. Beide komen van de hennepplant, de Cannabis Sativa. Bij hasj gebruik je de hars van de plant. Die krijg je door de bloemtoppen te koelen, te zeven en te persen tot een groot soort bruin-zwart bouillonblok. Ik vind de geur van hasj ronduit heerlijk, nog steeds. Ons eerste grote concert was dat van Carlos Santana in de Ahoy van 9 december 1973. Je kon de lucht van hasj bijna letterlijk snijden. Vergeet ik nooit meer. Hasj was in de jaren zeventig de meest populaire softdrug. Wiet, ook wel marihuana genoemd, maak je door de bloemtoppen van de vrouwelijke hennepplant te drogen en te verkruimelen. Het lijkt een beetje op grove thee en heeft ook een typische en herkenbare geur.

De werkzame stof van Cannabis is THC. Hoe meer, hoe sterker de werking. Nederwiet van tegenwoordig heeft twee keer zoveel THC als in onze tijd en is dus heftig spul. Cannabis heeft natuurlijk een roeswerking, maar kent ook medicinale toepassingen. Afgezien van roken, kun je hasj door een cake doen en wiet door de thee. Bijvoorbeeld. De effecten zijn erg individueel…
Cannabis heeft een andere en vooral meer onschuldige uitwerking dan andere populaire drugs als speed, XTC, cocaïne, alcohol, enzovoort. Je wordt er vooral langzaam van, haha. Wiet werkt(e) bij mij helemaal niet, anders dan dat ik er beroerd van werd. Hasj vond ik heerlijk. Ik werd er super ontspannen van en heb er bijna geen slechte ervaringen mee. Een eet- en een lachkick, veel erger werd het meestal niet. Ik heb maar een paar keer de Grote Smurf op een bakfiets uit het stopcontact zien komen. Dat viel dus alles mee.

De foto hieronder is gemaakt op mijn ouderlijke zolder door vriend R. in 1980. Ik zit daar te midden van de reguliere puinhopen na een zaterdagavond. Kratten bier, lege flessen drank en volle asbakken. R. ‘crashte’ nog wel eens, dus reden om zo’n moment voor later vast te leggen. Voor de kenners: ik zie naast een LP van Zappa, ‘Layers’ van Les McCann staan. Typisch muziek die een avond uit die tijd zeer gepast begeleidde. Nog hallucinerender was ‘Inivitation To Openness”. Far Out!
De jaren tachtig werden voor mij de tijd van het reizen. Ook naar, toen, exotische oorden. Het was allemaal nog een beetje verkennen, het is tenslotte 30 tot bijna 40 jaar geleden! Veel bestemmingen waren nog onaangeroerd en niet verpest door het massatoerisme. Heel af en toe rookte ik met een andere reiziger een jointje, meestal op een idyllische en afgelegen plek natuurlijk.

Ik ontdekte in Nepal de Bidi (of: Beedi), het typische nationale sigaretje van India. Een bidi wordt gemaakt van gedroogd ‘Kendu’ blad en
gevuld met tabak. De smaak is sterk en kruidig en ik vond het wel wat en kocht af en toe een bundeltje. Veel
westerlingen dachten toen dat Bidi’s niet zo slecht waren omdat ze volledig
biologisch zijn. Helaas, ze staan stijf van de teer en nicotine en zijn
mogelijk nog slechter dan gewone sigaretten. Dat was te merken, want ik hoestte mijn longen er af en toe bijna uit. Bidi’s zijn heden ten dage nog steeds enorm populair in India. Niet
zo vreemd, een pakje van 20 stuks kost omgerekend 13 eurocent!

Af en toe ging ik eens mee met een ‘local’ om ‘Chai’ te
drinken en een Bidi te roken of een Bhang Lassi te drinken. Bhang wordt gemaakt
uit Cannabis en verwerkt in drank of voedsel. Het werd verkocht door officiële Bhang-shops
en het gebruik dateert in India van duizenden jaren terug en het gebruik heeft religieuze wortels. Er is wel een en
ander veranderd omtrent legalisatie van Cannabis en andere geestverruimende
stoffen in India, maar het fijne weet ik er niet van. Volgens mij trekt men zich er sowieso weinig van aan wat de overheid doet met dit onderwerp. Religie zit diep verankerd in de Indiase samenleving en 1,3 miljard mensen duw je niet zo makkelijk nieuwe wetgeving door de strot. Al met al cultiveerde ik zo’n beetje mijn rookgewoonte op het Indiase subcontinent.

Het duurde nog lang tot dat ik echt
dagelijkse rookte, misschien was ik inmiddels wel 35. Ik durfde er ook niet voor
uit te komen voor familie en sommige anderen. Ik had tenslotte nooit ‘echt’ gerookt en ik schaamde me rot. Uiteindelijk kwam ik toch uit de rookkast.

Mijn hele ‘rookloopbaan’ heb ik altijd lichte sigaretjes gerookt. Altijd Barclay, die later in Kent werden omgedoopt.
Aanvankelijk gewone sigaretten en op enig moment ging ik over naar menthol. Joints heb ik sinds de jaren tachtig overigens nooit meer aangeraakt. In de straat waar ik opgroeide en tot mijn 27e
woonde, kocht ik regelmatig een pakje Barclay. Maar niet bij de kapper, die was er inmiddels niet meer. Mijn leverancier had zo’n typisch winkeltje
waar er vroeger veel van waren. Een sigaretten- en kauwgomballenautomaat tegen
de buitenmuur en binnen, snoep, tijdschriften, prullaria en natuurlijk heel veel
sigaretten. Het winkeltje was recht tegenover een grote
scholengemeenschap gevestigd, dus de man deed geweldige zaken. Als ik zijn winkel
binnentrad stond hij altijd verwachtingsvol te kijken wat ik zou bestellen. “Een
pakje Barclay alstublieft” zei ik dan. Hij draaide zich vervolgens om naar de kast vol sigaretten en herhaalde dan steevast de bestelling in zichzelf: “een pakje Berklie”. Ik
heb er jaren sigaretten gekocht. Nooit wist hij wat ik kwam halen en hij bleef
de sigaretten halsstarrig ‘Berklie’ noemen. Haha. Het verhaal is bekend in mijn ‘circle of
trust’.

Ik riep altijd dat ik niet verslaafd was aan nicotine,
maar aan de gewoonte. Ik geloof dat nog steeds, maar dat weet ik pas over een
week of zes zeker. Ik kom daar nog op terug. Ik heb nooit heel veel last van
dat roken gehad. Een rokershoestje in de vroege ochtend, beetje sputum ophoesten (sorry) en de dag kon weer beginnen. Maar verder had ik nooit problemen met conditie en dergelijke. In de jaren negentig werd er nog volop in kantoren en
openbare ruimten gerookt, maar toen dat langzaam maar zeker verboden werd,
rookte ik eigenlijk alleen in de pauze op mijn werk en thuis vooral in de tuin.
Maar ik ging de laatste jaren steeds meer roken. Belachelijk veel eigenlijk en
de kosten kon ik niet meer voor mijzelf en mijn gezin verantwoorden. Dat het een
levensbedreigende gewoonte is wist en weet ik natuurlijk en dat weet iedere
roker. Kom daar alsjeblieft niet mee aan, dat werkt averechts. Nee, de nadelen
van roken zijn iedereen hoegenaamd bekend. Het is een verslaving mensen, en
geen geringe. Miles Davis slaagde in zijn leven, net als Keith Richards, alle
drank- en drug ‘habits’ achter zich te laten, behalve nicotine. Ik heb vele
jaren geleden een poging tot stoppen ondernomen, maar dat werd een jammerlijke mislukking waar bijna doden bij zijn gevallen. Niet echt natuurlijk, maar dat was geen succes, zoals u begrijpt.

Zoals al aangehaald, begon ik op 4 juni jl. met de groepstraining. De training ‘Rookvrij, ook
jij’, georganiseerd door SineFuma, behelst zeven bijeenkomsten van 1,5
uur waar de deelnemer in groepsverband gaat stoppen met roken. Na twee weken
voorbereiding stopt de groep tijdens de derde bijeenkomst. Daarna volgen er nog vier bijeenkomsten bij wijze van begeleiding.

Ik was als de dood voor de training. Onbegrijpelijk vond
ik dat sommigen, vriend RH bijvoorbeeld, van de ene op de andere dag, na tientallen
jaren roken, zo maar waren gestopt. Mijn schoonmoeder stopte na één dag ‘Allen
Carr’ in Rotterdam. Bizar. Mijn faalangst sprak ik niet uit maar was enorm, mede door
die irritante en zeer succesvolle zelf-stoppers in mijn omgeving. Nou ja, ik zou het mee gaan
maken.

De eerste bijeenkomst was wel confronterend. Er waren twaalf deelnemers en ik was de enige ‘gezonde’. Het was een zielig groepje mensen met
een scala aan mankementen zoals COPD, hart- en vaatproblemen, neurologische
aandoeningen en diabetes. Dat zet je toch ook wel aan het denken. Ed kwam met zijn gemotoriseerde invalidewagen. Gevalletje
apart wel, die Ed. Een leven lang was hij stratenmaker en enthousiast roker van zware shag. Ed bleek een rasechte liefhebber: hij rookte zelfs onder de douche, haha. Tot de
klap kwam en hij bijna het loodje legde. Hij had tegelijkertijd meerdere TIA’s én een hartaanval! De rest van de groep had bijna allemaal COPD en de jongste, een verpleegkundige van 25, zat hier al voor de tweede training. Vorig jaar had ze ook meegedaan en was daarna wel een tijdje gestopt, maar weer ten prooi gevallen aan de gewoonte. Heftig verslaafd dus! Wat ook wel duidelijk bleek: roken is niet echt een
gewoonte onder academici als ik het zo mag uitdrukken. Maar, eerlijk
is eerlijk, aardige mensen allemaal in mijn groep.

De trainster begon, na het voorstelrondje, met duidelijk
te maken dat de training zou worden ondersteund met hulpmiddelen:
nicotinepleisters of Champix of Zyban. Dosering in overleg met de huisarts. Sommige
deelnemers begonnen te sputteren vanwege de slechte reputatie van Champix. Daar
maakte onze trainster korte metten mee. Na een jaar is 7% van de zelfstoppers succesvol en ruim 50% van de stoppers die worden ondersteund met medicatie. Meten is weten! We
moesten dus kiezen en ik ging voor de Champix. Niemand koos voor Zyban, dat middel wordt ook bijna niet meer gebruikt vanwege de riskante bijwerkingen.

Champix zorgt dat het verlangen naar een sigaret én de
ontwenningsverschijnselen worden onderdrukt. Het middel blokkeert de receptoren
in de hersenen die ‘vragen’ om nicotine. Je moet het twee keer per dag nemen
gedurende 12 weken en dan pas weet je of je echt ‘rookvrij’ bent. Ik moet dus nog zes weken. Het middel heeft wel een
reputatie. Ik had een collega die plotseling lag te schuimbekken op de
keukenvloer. Hij werd met gierende sirenes afgevoerd en kon het nog maar net na vertellen. Volgens hem kwam het door de
Champix. Broodje Aap? Geen idee. Ik heb wel verschijnselen als slecht slapen en een beroerde stoelgang, maar dat kan ook aan de veranderde stofwisseling komen van het stoppen met roken.

Ik stopte dus samen met de anderen tijdens de derde
bijeenkomst. Ik dacht eerlijk gezegd dat ik de volgende dag wel weer zou gaan
roken. Maar dat viel mee. Sterker, dat viel 100% mee. Vanaf het moment dat ik ben gestopt heb
ik nauwelijks behoefte meer aan roken gehad. Onbegrijpelijk. Maar mijn mindset was ook inderdaad: ‘ik rook
niet, nooit meer’. Hoe het met de anderen verliep? Uitgezonderd één andere deelnemer had iedereen de grootste moeite de weken rookvrij door te komen. Sommigen hielden wel stand, maar vlogen tegen de muren op. De Champix gebruikers klaagden over allerlei bijwerkingen en een mevrouw met nicotinepleisters bleek zeer allergisch. Ik had er allemaal geen last van. Ik had wel een geheim wapen: de elektrische sigaret. Ik
miste de gewoonte op bepaalde momenten om even ‘iets’ te roken, het ritueel, iets inhaleren, het ‘dedicated’ moment. Voor een
tientje kocht ik op de tweede stopdag een mooie ‘Zensations’ met Cartridges zonder nicotine. Sommige
mensen fronsen wat als ik ze over mijn e-smoker vertel. Ze kijken me dan toch wat vertwijfeld aan met een blik die zegt ‘Ben je nou
gestopt of niet?’

Een e-sigaret is een vernuftig technisch apparaat. Ze
zijn inmiddels ver doorontwikkeld en tegenwoordig leverbaar zonder
nicotinevloeistof. Mijn Zensations heeft een verdamper met geïntegreerde
batterij en een opschroefbare cartridge met mondstuk. In de cartridge bevinden zich het 100% ongevaarlijke propyleen glycol en wat smaakstoffen. De cartridge
schroef je op de verdamper en door te inhaleren wordt er in de verdamper
waterdamp gemaakt, mét een smaakje, en dat adem je in en blaas je weer uit. Dat
geeft een ‘rooksensatie’. Maar het is niet veel anders dan met je verkouden
hoofd kokend water uit een teiltje inhaleren. Als je er dan Dampo bij doet heb je ook nog
de menthol smaak. Ik vind het een briljante uitvinding. Is het een vervanging
voor een sigaret? Beslist niet, maar het is een perfecte vervanging voor de gewoonte en de rituelen. Ik ‘damp’, zoals het heet, trouwens niet heel veel. Heel veel minder dan dat ik rookte. Vooral bij de momenten waar ik vroeger ook graag een sigaretje bij rookte. Bij de koffie, na het eten en een glaasje alcohol. Overigens, als ik denk aan een echte sigaret neem ik een gewoon
kauwgummetje, werkt ook prima. Ik ben echt super happy met mijn e-smoker. Zonder dat apparaat had ik het echt heel moeilijk gekregen. Hieronder in het etuitje een starterset (tientje) en daaronder de e-smoker in losse onderdelen.

De training in een groep, de stimulerende leiding van de
trainster en de adder onder het gras zorgde er voor dat ik relatief makkelijk
ben gestopt. De adder was dat voorafgaand aan iedere training er bij
binnenkomst geblazen moest worden (net als bij alcohol) om koolmonoxide in het
bloed te meten. Als je gerookt had in de week er voor, dan kwam dat aan het
licht! Niemand wil zo’n afgang voor zijn groep. Erg slim.

Tsja, nu nog een aantal weken aan de Champix. Ik ben
overuigd dat ik er wel doorheen ben, in de basis. Ik weet wel dat de trek naar
sigaretten blijft, nog vele jaren. Nou ja, daar probeer ik mij doorheen te slaan. Ik hoop dat over zes weken de receptoren ‘doof’ zijn geworden voor nicotine. Maar ik ben blij dat ik zo ver gekomen ben en inmiddels veel geld heb bespaard en een groot aantal lichamelijke gezondheidsrisico’s, nu al, heb geëlimineerd.

De laatste trainingsdag ben ik twintig minuten te laat.
Verdorie. Ik was een dag met mijn schoonvader op pad geweest. Onder andere naar
de Duitse Militaire begraafplaats in Lommel, net over de grens in België. Het
regende de godganse dag en, ja hoor, ondanks de vakantie stond het bij
Eindhoven muurvast. Maar het was niet erg. Het was de laatste meeting en het
was nog een kwestie van afronden. We kregen bovendien een echt certificaat! O ja, er waren gedurende de rit drie afvallers en ik krijg net een app dat er inmiddels weer twee zijn gaan roken. Dat is toch wel enorm zonde…
Tijdens het naar huis gaan kwam mijn verlate
binnenkomst nog even aan de orde. “Kwam je van je werk?” vroeg er iemand. Ik
vertelde over mijn dagje uit met mijn schoonvader. De jongste deelneemster keek mij
even aan en zei op vragende toon: “Duitse Militaire begraafplaats?” “Gesneuvelde Duitse soldaten
tijdens de Tweede Wereldoorlog” legde ik uit. “O, je bedoelt dat van Oost- en
West Duitsland, dat met die muur?”

Wordt vervolgd…